maandag 12 december 2016

Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem

In eerdere post zoals hier noemde ik hem al even Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem, de broer van mijn betovergrootvader Johannes van Adrichem. 

Heel veel weet ik niet van Hendrik, maar wat ik weet is wel het vermelden waard. We beginnen maar gewoon weer even bij het begin.

Hendrik wordt geboren 28 april 1861. Het KNMI verteld mij dat het op die dag 8,6 graden is en droog. De kleine man wordt vernoemd naar zijn moeder Hendrikje Vitjeroo. Die op haar beurt weer werd vernoemd naar haar opa hendrik Moon. 

De plek waar Hendrik wordt geboren is het trieste omgeving van de Ommerschans. Wel woont het gezin dan in een eigen hoeve. Ik schreef er al eerder over, het was niet de fijnste plek om op de wereld te komen. Geboren in gevangenschap, het voorspelde misschien niet zo heel veel goeds voor deze kleine Hendrik. 

Hij groeit op met zijn halfzus, zijn broer en zijn 2 jaar jongere zusje in afwisselend de Ommerschans en Veenhuizen. Elf jaar is hij als het gezin voorgoed vertrekt uit de Maatschapij van Weldadigheid. Ze vertrekken lopend naar Hellendoorn waar het gezin aan de slag gaat in de textielindustrie. Ook de 11 jarige Hendrik maakt lange dagen in de fabriek.  Het gezin woont twee jaar in de gemeente Hellendoorn als ze het boeltje weer bij elkaar pakken en naar Hilversum vertrekken om daar in een andere textielfabriek te gaan werken. 

Het is 1878, Hendrik is 17 jaar en zijn vader is een jaar daarvoor overleden. Hendrik en zijn broer Johannes moeten nu de kost verdienen voor het gezin. 

Het gezin woont op dat moment aan het Gooische Gat in Hilversum. 
Tot 1700 lag de Gooische Vaart in Hilversum tot aan het Gooische Gat, maar in 1840 werd begonnen met het verder graven van de vaart tot aan de Havenstraat. Dat punt bereikten ze in 1880. Hendrik was een van de vele jongens en mannen die met alleen een schep tot zijn beschikking geholpen heeft met het uitgraven van de vaart.

Gooische Gat in Hilversum.

Op 8 december 1878 omstreeks 22.00 liep de 17 jarige Hendrik op de openbare weg in Hilversum toen hij Willem van Sprenger tegenkwam. 
De twee kende elkaar zeer goed, maar blijkbaar had Hendrik met deze Willem nog een appeltje te schillen want zonder enige waarschuwing  sloeg Hendrik, Willem vol in het gezicht. 
De lichamelijke gevolgen vielen wel mee volgens het proces verbaal dat door de veldwachter na het incident werd opgemaakt. Daarin staat; "dat de beklaagde zal worden verklaard schuldig aan het moedwillig toebrengen van slagen aan een persoon waaruit geenerlei ziekte of beletsel van te werken, gedurende meer dan twintig dagen is ontstaan."
Getuige van het misdrijf waren "van Daal"en "Groenhuizen" die beide onder ede verklaarden dat zij zagen hoe Hendrik het slachtoffer moedwillig met de vuist in het gezicht sloeg. 
Blijkbaar was Hendrik niet onder de indruk van de dagvaardiging die hij kreeg want op de behandeling van zijn zaak bij de arrondisementsrechtbank in Amsterdam op 6 januari was hij niet aanwezig.  
Volgens art 309.34 van het wetboek strafrecht werd hij schuldig gevonden aan het misdrijf. 
Vanwege verzachtende omstandigheden (er was geen letsel) werd hij veroordeeld tot "ene gevangenisstraf voor den tijd van acht dagen door hem in eenzame opsluiting te ondergaan, en in de kosten van het regtsgeding ten behoeve van den staat, 3,10 gulden".








Op 27 maart 1880 vertrekt Hendrik met zijn moeder Hendrikje Vitjeroo en zijn zusje Gerhardina naar Haarlem. Het gezin woont er aan de Burgwal 67. 
Moeder Hendrikje vertrekt na een jaar op 5 mei 1881 naar Almelo samen met Gerhardina. 

Burgwal Haarlem
Hendrik staat dan nog steeds ingeschreven in Haarlem maar in 1881 moet de 20 jarige Hendrik zich inschrijven in het Militieregister. Hij krijgt bij de loting nummer 8 toegewezen. Hij woont nog thuis bij zijn moeder in Hilversum volgens de gegevens uit het register. 
Hier wordt het voor mij een beetje verwarrend omdat Hendrikje volgens mij dan in Almelo zit, maar daar heb ik nog geen bewijs van gevonden. In 1884 wordt Hendrik pas uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Haarlem. 


Bevolkingsregister Haarlem
Een manier om vrijstelling te krijgen van militaire dienst is de broederdienst. Als er een even aantal broers in huis zijn, dan hoeft de ene helft maar in dienst, de andere niet. Hendrik's broer Johannes is al in dienst, dus Hendrik is niet aanwezig bij de loting van 15 maart omdat hij er van uit gaat dat hij vrijgesteld gaat worden vanwege broederdienst. Maar bij zijn inschrijving staat dat broederdienst niet bewezen is en 11 april wordt hij toch aangewezen tot dienst. 
9 Mei wordt hij ingelijfd bij het 1e compagnie, 5e bataljon 7e regiment infanterie garnizoen met als standplaats Naarden.

Kazerne te naarden


Zijn signalement luidt: 
Uiterlijk: 1,651 meter
gezicht: Ovaal
Hoofd: laag
Oogen: grijs
Neus: gewoon
Mond; id
Kin: rond
Haar: Blond
Wenkbr: id
Merkbaare Teekenen: geene

De eerste 3 maanden is het rustig rond Hendrik maar dan heeft hij zijn eerste akkefietje. 
Op 19 augustus krijgt Hendrik 8 dagen provoost voor het niet onmiddelijk voldoen aan de gegeven bevelen en oneerbiedig gedrag tegenover een Korporaal. Een provoost is een militaire gevangenis.
Op 1 november opnieuw 8 dagen provoost omdat hij na afloop van het schijfschieten aangewezen was om kogels te zoeken en daarbij een patroon die hij op het terrein had gevonden had afgeschoten.
Op 18 november moet 14 dagen naar de politiekamer omdat hij voor de 1e keer gedeserteerd is. Wel in tijd van vrede met vrijwillige terugkomst binnen 4 weken. Maar verder dan 1 meter buiten het garnizoen zonder toestemming is verboden.
Die twee weken zit hij blijkbaar niet want op 26 november krijgt hij weer 8 dagen provoost met om de andere dag water en brood omdat hij op straat met burgers slaags is geraakt en daarbij zijn bajonet heeft gebruikt. 
Op 28 november wordt bepaald dat hij 6 maanden lang zijn bajonet niet meer mag gebruiken.



Op 30 April 1882 vraagt Hendrik groot verlof aan maar hij komt nooit weer terug naar zijn garnizoen. Op 4 november 1884 wordt hij als deserteur vermeld. 

In de krant verschijnen meerdere oproepen in de krant:
Gesignaleerde personen (Bij het departement van oorlog is opgemaakt de navolgende staat, de namen en signalementen bevatten der personen, die gedurende het jaar 1884 van de landmacht en van het korps mariniers gedeseteerd zijn en omtrent wier lot bij de korpsen, waartoe zij behoord hebben, op 1 januari 1885 niet stelligs bekend was.

216. ADRICHEM, Hendrik Wijnandus Arie, van
Milicien bij het 7e regiment infanterie, geboren te stad Ommen (Overijssel) 28 april 1861, lengte 1.651 meter, aangezicht ovaal, voorhoofd laag, oogen grijs, neus en mond gewoon, kin rond, haar en wenkbrauwen blond; gedeserteerd 4 november.)














   



Op 4 juli 1887 duikt Hendrik ineens op in Enschede. Misschien dat hij zich koest hield bij zijn broer Johannes of bij zijn moeder en halfzus in Rheine (Dld). Ik was in elk geval erg verbaasd om hem hier in mijn woonplaats tegen te komen. 

Raadhuis Enschede

Hendrik meld zich zelf  dan bij het raadhuis van Enschede en geeft zichzelf aan als deserteur bij de Burgemeester van Enschede. Hendrik wordt gearresteerd en komt voor de krijgsraden in Naarden en moet een maand de gevangenis. Daarna wordt hij over gedragen aan het koloniaal Werfdepot te Harderwijk.






binnenplein Koloniaal Werfdepot




In Harderwijk zal Hendrik een opleiding van 6 weken hebben gehad voordat hij op een zaterdagmorgen onder begeleiding van Militaire muziek en gejoel van de Harderwijker jeugd naar het station ging van Harderwijk ging. Vanaf daar vertrokken ze met de trein naar Rotterdam en met de boot naar de koloniën.
Op deze manier zijn er tussen 1815 tot 1910 zo'n 150.000 militairen vertrokken om plaats te nemen in het Oost-Indische leger. Niet alleen gestrafte militairen maar ook "gewone" militairen, bedelaars, gevangenen, deserteurs uit vreemde legers en buitenlanders zoals de beroemde Franse dichter Arthur Rimbaud en voormalig minister President Hendrik Colijn.

Elke nieuwe rekruut kreeg na het tekenen van het contract een flink geldbedrag (al zal dat niet voor Hendrik zo zijn geweest als gestrafte militair). De winkeliers, hotelhouders, kroegbazen en bordeelhouders in Harderwijk beleefden gouden tijden, want het bedrag aan handgeld dat de militairen kregen was meestal al op in de 5 tot 25 weken die ze moesten wachten voordat ze aan boord van het schip gingen. Er waren vaak vechtpartijen, Harderwijk kreeg hierdoor een slechte reputatie en werd het gootgat van Europa genoemd.
Vaak werd er voor vertrek naar Indië een foto gemaakt van de militair met de tekst "tot ziens" of "Naar Indië", wie weet vinden we ooit die foto van Hendrik nog wel.

Dit is het allerlaatste wat ik over Hendrik heb kunnen vinden. Het is het waarschijnlijkst dat hij onderweg of in Indië is overleden. Of misschien heeft hij er een vrouw gevonden en loopt r wel een familie van Adrichem aan die kant van de wereld rond!
Hij komt in elk gevalhet meest in aanmerking voor het verhaal dat er in de familie rondgaat over een voorvader die naar Indië is vertrokken, er een plantage had, een moord pleegde en al zijn geld vergokte. Misschien komen we er op een dag achter...ik zie hem er in elk geval wel voor aan.

vrijdag 2 december 2016

Hoe Johannes van Adrichem toch een gezicht kreeg





Schreef ik hier al eerder het verhaal van mijn bet overgrootvader Johannes van Adrichem en dat ik zo graag een foto van hem zou willen vinden. Hij is pas in 1955 overleden dus er moest toch een foto van hem zijn...en ik kan melden dat ik 'm inmiddels heb gevonden! 

Hoe kom ik nou zo ineens bij die foto? 
Nou, ik wou al een tijdje op bezoek naar een nicht van mijn vader, maar ik vond het doodeng om de eerste stap te zetten. Vorige week heb ik haar dan toch maar gebeld. Met trillende handen tikte ik het nummer in, en zo zat ik nog twee minuten op de trap voordat ik de telefoon daadwerkelijk over liet gaan. Echt helemaal niks voor mij dat bellen.... 
De nicht van mijn vader was heel enthousiast en ze zat zelfs al op mijn telefoontje te wachten. Meteen voor de volgende dag maar afgesproken. Het was een hele gezellige middag, zij heeft mij interessante dingen kunnen vertellen over mijn opa en overgrootvader en ik had voor haar de stamboom en foto's meegenomen. 
Ook kwam er een fotoalbum op tafel, waar ze me op de laatste pagina een klein donkere fotootje liet zien. Een gezichtsuitdrukking is er amper op te zien, maar het was een foto van Johannes van Adrichem! Na ene fotobewerking hebben we er dit van kunnen maken. 

Johannes van Adrichem!





Het fotoalbum mocht ik mee naar huis nemen om te scannen en toen ik de volgende dag daarmee bezig was, ging de deurbel. Daar stond de nicht van mijn vader. 's Nachts had ze zich herinnerd dat ze nog ergens een foto van Johannes moest hebben en die had ze gevonden. In haar hand had ze een dubbelgevouwen artikel uit een tijdschrift met daarop een foto gemaakt ter ere van het 40 jarig huwelijk van Johannes van Adrichem en Judith Langkamp! 
Van hem had ik verwacht dat er een foto zou zijn, maar nooit gedacht (wel gehoopt) dat ik ook een foto van Judith zou vinden. Ik stond nog net niet te dansen in de deur opening, zo blij! 

Johannes van Adrichem en Judith Langkamp
Na al die jaren fantaseren over hoe ze er uit zouden zien, is het wel vreemd om ineens een foto van ze te zien. Ze zien er zo anders uit dan ik had gedacht. Ik had verwacht dat hij een lange baard zou hebben en dat zij een klein mager mensje zou zijn. Maar niets is minder waar. 

Diezelfde dag kreeg ik ook bericht van het gemeentearchief van Hellendoorn. Ik kon maar geen gegevens van de familie van Adrichem vinden in Hellendoorn. Volgens de gegevens van het bevolkingsregister van Hilversum moesten ze er toch wel gewoond hebben. 
Een medewerker van het archief van Hellendoorn was zo aardig om voor mij op zoek te gaan en hij vond inderdaad een inschrijving. Waarin stond dat ze vier dagen na de laatste vrijlating uit Veenhuizen al aankwamen in Hellendoorn. Volgens de medewerker woonde het gezin in Noetsele. Vroeger een marke in de gemeente Hellendoorn, nu is het een wijk van Nijverdal. 

Bevolkingsregister Hellendoorn

Op de site van de Historische Kring Hellendoorn Nijverdal staat een mooi stukje geschiedenis over de marke Noetsele. Ik zal hier onder een samenvatting geven.

In 1826 stonden er 37 gebouwen in Noetsele, waar alle bewoners als beroep "bouwman" hadden. De meeste inwoners waren Landbouwers, maar er zal thuis ook wel werden geweven, zoals normaal was in die tijd.
Na de 10 daagse veldtocht werd er een plek gezocht voor de katoen industrie en die werd gevonden in Twente. Daar werd vooral in de wintermaanden op de boerderijen nog veel geweven op handweefgetouwen. 
Voor de door de thuiswevers geweven calicots moest er een centrale plaats komen waar deze stoffen in ontvangst genomen konden worden om ze via Zwolle naar Amsterdam te sturen. Dat punt moest een goede verbinding over land en over water zijn. 
Op het punt waar de de Regge en de nieuwe straatweg van Zwolle naar Almelo elkaar zich met elkaar kruisden vestigde Thomas Ainsworth de Nederlandse Handelsmaatschappij. Dit Op 14 mei 1836 werd de eerste steen gelegd en was het eerste begin van Nijverdal een feit. Vanaf dat moment werd er veel gebouwd in het eens zo stille "Koeveen", zoals het gebied rondom Noetsele genoemd werd. Er kwamen nieuwe wegen, sloten en evenwijdig aan de Regge werd een pakhuis met een lengte van 45 meter gebouwd. 
Toen één van de directeuren van de NHM, Willem de Clercq, in september 1837 op een rondreis door Overijssel ook de NHM-vestiging Nijverdal bezocht, schreef hij zijn mededirecteuren daarover: ‘waar voor twee jaren slechts kale heide bestond, verheft zich thans het belangrijke Nijverdal, als eene Oase in de woestijn’.

Thomas Ainsworth overleed plotseling en vanaf daar ging het bergafwaarts met het bedrijf tot het in 1851 werd gekocht door de gebroeders Salomonson. Ze sloopten alle gebouwen en bouwden op deze plek de eerste mechanisch aangedreven katoenweverij die al heel snel het predikaat "Koninklijk" kreeg. 
Er brak een nieuw tijdperk aan voor het dorp. Na het eerste jaar waren er al 426 getouwen in bedrijf en in 1879 had Nijverdal al 1822 inwoners. 
De meeste arbeiders kwamen uit de kolonies van de Maatschapij van Weldadigheid. Hier werd namelijk ook veel geweven. 
Ondanks de lange werktijden (van 5.00 tot 20.00 of soms zelfs tot 21.00 en op zaterdags van 5.00 tot 17.00) kwamen de kolonisten graag naar Nijverdal. 
Na het strenge regiem in de kolonies, lokte de vrijheid die in Nijverdal werd geboden. De woongelegenheid was goed en in de schaarse vrije tijd kon men op een eigen stukje grond aardappelen en groente verbouwen. 
De mensen, die voor werk naar de KSW kwamen, moesten gehuisvest worden. nadat er eerder al 78 woningen waren neergezet, werden er nu nog eens tachtig nieuwe woningen gebouwd. Achtenzestig daarvan in vier blokken van zeventien langs de Grotestraat. De woningen bevatten één kamer met twee bedsteden, en een “deel” waar zich ook nog twee besteden bevonden. Voor water moest men de weg oversteken, waar aan de andere kant van de bermsloot welputten waren aangelegd. Deze kon men via bruggetjes bereiken. Tussen de blokken van de vier woonblokken waren ronde gebouwtjes met vier toiletten voor sanitaire behoeften. In de volksmond werden de woningen al gauw ”De Verdeling” genoemd, omdat ze gebouwd waren op een stuk grond dat die naam droeg na de verdeling van de marke gronden. 
De kinderen van de fabrieksarbeiders, die zelf ook al op jonge leeftijd (vanaf 9 jaar) naar de fabriek gingen, genoten aanvankelijk amper enig onderwijs. De gebroeders Salomonsen sloten vrijwel direct na het in bedrijf komen van de weverij met de onderwijzer van de school in Noetsele een contract af. Hij moest de kinderen één uur op zaterdag na werktijd en één uur op zondag lesgeven. En dat na een werkweek van dertien à vijftien uur per dag. In 1874 schreef Godfried Salomonson, de zoon van Hein, dat hij aan ‘de groote weg naar Zwolle’ een lokaal voor onderwijs aan de fabriekskinderen had ingericht. De kinderen kregen daar bij toerbeurt ’s morgens van zes tot acht uur les.

Zo zag het leven van de van Adrichem's er in de gemeente Hellendoorn in die tijd er zo'n beetje uit. 
Twee jaar heeft het gezin gewoond en gewerkt in Noetsele. Johannes was 14 toen ze er kwamen wonen. In 1874 pakte het gezin zijn biezen en zijn na een reis van 8 dagen in Hilversum aangekomen, waar het gezin weer in de textiel aan het werk ging . De rest van het verhaal van de familie kun je teruglezen in de eerdere posts. En zo heb ik weer wat puzzelstukjes die het verhaal steeds completer maken! Nu nog uitzoeken waar het gezin, zonder vader Johannes Huibert, bleef na 1878. 

vrijdag 21 oktober 2016

Frederik van Adrichem

Freek van Adrichem

Vandaag zou hij 100 jaar zijn geworden, mijn opa Freek. 
Helaas is hij al 15 jaar niet meer onder ons. Om zijn leven te vieren, deden we als familie iets wat we nog niet eerder deden, we vierden zijn leven door in de stad samen een borrel te drinken. We proosten op hem en op zijn 4e achterkleinzoon die drie dagen geleden werd geboren en als 2e naam, de naam Frederik kreeg. Vernoemd naar hem, net zoals hij 100 jaar geleden werd vernoemd naar zijn overgrootmoeder Frederica. Hij zou er vast trots op zijn geweest!

Veel weet ik niet van mijn opa. Ik was 21 toen hij overleed en in die tijd was ik nog niet met mijn familiegeschiedenis bezig. Ik wou soms dat ik nog eens met hem kon praten, dingen vragen over vroeger. Over zijn jeugd, de oorlog. 
Ik heb ook niet zo'n band met mijn opa gehad als ik graag had willen hebben. Hij was de enige opa die ik heb gekend, maar in mijn herinneringen staat hij altijd een beetje aan de zijlijn. 
's Nachts in mijn dromen ga ik nog wel eens bij mijn oma op opa op bezoek, even een kopje thee drinken. 

Ik herinner me nog dat ik met mijn opa in de stad heb gekeken naar Keep them Rolling, een optocht van legervoertuigen uit de tweede wereldoorlog, Het zal 50 jaar na de bevrijding zijn geweest en was 15 jaar. Opa met zijn typerende wandelstok en alpino pet op. Het is de enige keer dat ik me kan herinneren dat ik iets alleen met mijn opa heb gedaan. 

Prachtig vond ik opa's grasveld. Groen en dik als een hoogpolig tapijt. Zelden mochten we er op spelen. Ik kreeg eens voor mijn verjaardag een wit joggingpak. Ik heb 'm één keer aangehad, op bezoek naar opa en oma en waar we eens mochten spelen op het zo gekoesterde grasveld. Toen we thuiskwamen was mijn outfit helemaal groen, en mijn moeder heeft 'm nooit meer schoon gekregen.

oma in de tuin aan de H. Smeltweg
Ik bleef er niet zo vaak logeren, maar als ik er was kreeg ik altijd van oma en suikerklontje in mijn cola en mocht eerst mijn toetje op eten en dan pas de rest van de maaltijd. 
Ik keek er graag in oma's toilettas vol met nepjuwelen (die ik trouwens nu in mijn bezit heb, en af en toe draag). Ik tekende in de schriften die oma altijd voor ons had klaar liggen of ik keek in de boeken die altijd in de kast stonden. Vooral de prachtige dikke boeken van Rien Poortvliet over David de Kabouter doen me altijd aan opa en oma denken.

Ik ging wel eens wandelen in een park of bij de Universiteit. Oma plukte graag mooie bloemen en takken. Takken met van die oranje, paarse of witte besjes. Vooral de herfst doet me altijd aan oma en opa denken. En in de zomer de bomen vol roze bloesems die voor het huis stonden. Oma had een dag in het park boterhammen gemaakt met vruchtenhagel en wit met bruine hagelslag. Ik kan me de smaak nog zo goed voor de geest halen, ik vond ze zo lekker, vruchtenhagel en hagelslag heeft echt nooit meer zo lekker gesmaakt als die dag! 

Mijn opa, oma, broertje en ik op het balkon van mijn oom en tante

Net als zijn vader Heinrich en mijn vader en oom, was ook mijn opa actief in het verenigingsleven op de speeltuin. Jarenlang is hij voorzitter en beheerder geweest van Speeltuin Varvik. Mijn opa en oma woonden tegenover de speeltuin en we gingen er dan ook vaak spelen als we op visite gingen. 
Op  17 oktober 1981 bestond de speeltuin 30 jaar en nam mijn opa afscheid als toezichthouder van de speeltuin.

Ik met mijn opa bij het afscheid als toezichthouder



In verband met de wet op privacy kan ik in de archieven niets over mijn opa vinden. Nu zijn geboorte 100 jaar geleden is, hoop ik dat er langzaam steeds meer te vinden valt. 
Ik moet het dus doen met de herinneringen, foto's en krantenartikelen die ik van de familie hoor en krijg en dat is niet echt heel veel.  

Hij was de oudste zoon van Heinrich van Adrichem en Wilhelmina Gertruda Hekke. Hij had nog een vier jaar oudere zus en na mijn opa werd er een jaar later nog een zusje geboren. 
En maar liefst 14 jaar later nog een broertje. 

familie van Adrichem
opa op de Theo Thijssenschool
Hij woonde als kind aan de Vlierstraat en de Goudenregenstraat. 

Volgens mijn vader hebben mijn opa en oma elkaar leren kennen tijdens het wandelen. Ook wel het "flaneren" aan de Volksparksingel, waar vrijgezelle jongens en meisjes 's avonds gingen wandelen om de aandacht van de andere sekse te trekken. 

Opa en oma werden verliefd, maar opa was acht jaar ouder dan oma en niet katholiek. Van de vader van mijn oma, mochten ze dan ook absoluut niet trouwen. Maar omdat oma "per ongeluk" zwanger raakte ging opa de Vries uiteindelijk toch overstag. Hij verbood echter om de zusjes en broertjes van mijn oma te komen op de trouwerij. Drie maanden na de bruiloft werd mijn oom geboren.

Trouwdag van mijn opa en oma

aankomst op het stadhuis.

Vanwege de woningnood na de oorlog woonden mijn opa, oma en mijn oom bij mijn overgrootouders aan de Goudenregenstraat. 
Een gezin met twee kinderen had echter recht op een eigen woninkje dus werd mijn oma opnieuw "per ongeluk" zwanger en in 1950 werd mijn vader geboren. Het gezin kreeg een huisje aan de Halmeherastraat, waar 10 jaar na de geboorte van mijn vader nog een derde zoon werd geboren. 

Ze hadden dan wel een eigen huisje, maar opa en oma hadden het niet breed, elk dubbeltje moest omgedraaid worden. 
Mijn oom heeft voor hij stierf een boek geschreven over zijn jeugd,  over de armoede maar ook over de avonturen van hem en mijn vader. Het is geschreven in het Twents en ik heb 'm al meerdere malen herlezen. 
De ene keer staan de tranen me in de ogen als ik lees over de armoedige leefomstandigheden om vervolgens weer slap te liggen van het lachen als ik lees over de rare capriolen van mijn oma. Het boek geeft zo'n mooi beeld van het leven in die tijd. Echt een boek dat ik koester en door ga geven aan mijn kinderen. 

Opa werkte als getouwbaas bij Wisselink Textiel en vanwege het lawaai bij de weefgetouwen kon hij goed liplezen. Toen mijn opa en oma eens op zondag op visite gingen bij zijn ouders is er ruzie geweest tussen mijn opa en zijn ouders. Hij zag voordat ze binnen waren wat ze zeiden over ze en dat viel niet in goede aarde, De ruzie liep zo uit de hand dat het contact voor altijd is verbroken tussen zijn ouders en hem. Mijn vader weet het moment nog goed voor zich te halen dat hij achterop zijn moeders fiets zat en hij zijn opa en oma voor het laatst zag. 

Helaas herhaalde de geschiedenis zich jaren later. Na het overlijden van mijn oma kregen mijn vader, moeder en ik ook ruzie met mijn opa en heb ik mijn opa niet weergezien tot op de dag van zijn crematie. Het afscheid op die dag was moeilijk en ik voelde me er niet op mijn plek. Ik vond dat ik er niet bij had moeten zijn, achteraf ben ik wel blij dat ik er geweest ben.
Ik nam afscheid van de opa die ik al een aantal jaar niet meer had gezien en liepen de tranen me over de wangen bij de gedachte dat ik met die opa nooit meer nieuwe herinneringen zou maken. 
Maar nare herinneringen vervagen en de mooie worden steeds belangrijker. 
En ik koester de nachten waarbij ik bij opa en oma aan de deur sta om een kopje thee te komen drinken, allemaal heel goed wetend dat ze al zoveel jaren niet meer op deze wereld zijn...


vrijdag 14 oktober 2016

Familie Fietjero deel II

Anderhalf jaar geleden schreef ik hier al eens een blogpost over de zoektocht naar de exotisch klinkende achternaam Fietjero.

Vandaag heb ik weer wat nieuwe dingen te vertellen over Johannes Fietjero.
Op de site altijdstrijdvaardig.nl vond ik gegevens over deze Johannes. Anton de beheerder van deze site is onlangs voor me naar Tresoar in Leeuwarden geweest en heeft me de gegevens uit het archief toegestuurd.


In 1814 moet Johannes opkomen voor de nationale Militie. Hij is dan al 25 wat een beetje vreemd is. Alle mannen moet in het jaar dat ze 18 worden zich aanmelden. Waarom Johannes zich pas 7 jaar later meld heb ik nog niet kunnen vinden. Misschien dat het iets te maken heeft met het overlijden van vader Joseph die ook soldaat is, overlijd als Johannes 15 jaar is in Haarlem. Hij zal wel de kostwinner in huis zijn geweest en daarom vrijstelling hebben gekregen. 

Maar Johannes krijgt met de loting nummer 1145.
Per plaats is van te voren vastgesteld hoeveel mannen er in dienst moeten. Op elke 100 inwoners van een stad moet er één deelnemen aan de militie. Als je een laag nummer hebt kun je er zeker van zijn dat je in dienst moet, tenzij je medisch afgekeurd wordt of kunt aantonen dat je aanspraak kunt maken op de Broederdienst. Als er een even aantal broers in een gezin zijn moet de helft in dienst. Als je 2 broers hebt dan moet er 1 in dienst. Ook als je te klein was (1,55 m) of theologie studeerde kon je een vrijstelling krijgen. 


Nummer 1145 is en vrij hoog nummer en betekend vaak dat je niet in dienst hoeft. Hero Ydes van der Veen heeft nummer 245 en moet wel in dienst. De twee besluiten met elkaar te ruilen van nummer. Johannes wordt de plaatsvervanger van Hero. Hierbij wordt vaak grof geld betaald om uit de dienst uit te komen. Soms wel een heel jaarsalaris. Het hoogste bedrag ooit betaald om onder de dienstplicht uit te komen is maar liefst 4200 gulden. Een kapitaal in die tijd. Geld dat Johannes en zijn moeder wel kunnen gebruiken.



Als je van nummer ruilt moet dit ook allemaal officieel worden vastgelegd in een Notariële akte. Hierin worden de voorwaarden voor de plaatsvervanging vastgelegd. De Notariële akten uit die periode worden op dit moment gedigitaliseerd en kan ik nog niet inzien. 


Johannes neemt dus dienst in het leger op 22 maart 1814 maak ik op uit de gegevens die ik van Anton heb. Hij zit bij de 8e afdeling Batallion Infanterie Nationale Militie nr 1 met als Garnizoensplaats Groningen. Met deze gegevens kon ik ook gerichter zoeken in de Militaire Stamboeken op zoekakten.nl. Ik had al eerder een poging gedaan maar kon hem niet vinden. Maar nu ik zeker wist dat hij in dienst had gezeten maar eens gaan zoeken op de laatste 2 letters van zijn achternaam en ineens vond ik hem. Johannes Titero. Geen wonder dat ik hem niet kon vinden... Fietjeroo of Titero is wel even een flink verschil.



Bij zijn aankomst in het corps is hij 5 voeten, 2 duim en 3 streek lang, dat is ongeveer 1,63 m. 


Zijn signalement luidt:
Aangezigt; Rood
Voorhoofd; Klein
Oogen: Blaauw
Neus; Groot
Mond; Breed
Kin; Rond
Haar; Blond
Wenkbraauwen; Blond
Stamboek 8e regiment infanterie
En daar gaat meteen mijn theorie voor een mogelijke Afrikaanse komaf. Als zijn vader inderdaad van Afrikaanse komaf was geweest dan had Johannes geen blond haar en een rood gezicht gehad! 


22 Maart 1814 kan Johannes dan voor het eerst op appel van de militaire Kazerne op het toernooiveld aan de huidige Groeneweg in Leeuwarden, aan de straatzijde van de prinsentuin. Vijf dagen later trouwt hij met Hiltje Hillegonda Moon, nog net voordat hij naar Groningen verrekt. Hiltje blijft achter met hun dochter die dan al 9 maanden oud is. 


Zijn uitrusting bestond uit: 
Rokken; 1
Vesten; 1
Chacot; 1
Randsel; 1
hemden; 3
paar schoenen; 2
paren sokken; 2
Onderbroeken; 2
 ....broeken; 2
Linnen Slopkoussen; 2
Halsdassen; 2
Rokzakje
Chacot foudraal
Pompom; 1
R...stels(?); 2
Sabel
Sabel Koppel




Op 29 maart wordt Johannes al bevorderd tot Flankeur. De flankeurs vormden de lichte infanterie van een bataljon. Ze waren actief aanwezig en moesten gericht schieten veel eigen initiatief tonen. 
Volgens de gegevens in het stamboek is Johannes in 1815 in Brabant en in Frankrijk. En ineens ging me daar weer een belletje rinkelen. Voorouder Johannes van Adrichem was ook in 1815 in Frankrijk en hij vocht mee in Waterloo tegen Napoleon. 
Zou Johannes Fitjero ook meegevochten hebben? Snel gekeken bij de Waterloo gratificatie's in het Stadsarchief van Amsterdam. Op Fitjero en alle spellingsvarianten niks gevonden, dan maar eens Titero proberen zoals hij genoemd wordt in het stamboek en ja hoor, Bingo! 


Titero, Johannes - soldaat - Infanterie Nationale Militie - Bataljon Infanterie Nationale Militie No. 1


27-9-1817 Waterloo gratificatie ontvangen 29,10 gulden, 
uitbetaald aan (Luitenant Kolonel F.A.) Guicherit

Waterloo gratificatie
En dan begint het zoeken naar waar Johannes zat tijdens de Slag bij Waterloo. 

Via google vind ik het volgende; Bataljon Nationale Militie nr. 1


Opgericht begin 1814 als Bataljon Landmilitie nr. 1. In maart 1815 vernummerd in Bataljon Nationale Militie nr. 1. De militairen zijn voornamelijk afkomstig uit het militiedistrict Leeuwarden (1815). In december 1818 opgegaan in de 8e Afdeling Infanterie. 


Johannes heeft niet aan de strijd in Waterloo deelgenomen maar hij was onderdeel van het 2e Nederlandse legerkorps onder leiding van Prins Frederik. Dit korps was onder andere samengesteld uit de 1e divisie infanterie, gecommandeerd door Luitenant-Generaal J.A, Stedman. 

Deze divisie stond als tweede verdedigingslinie in het Vlaamse Halle bij Hondzocht.  15 Kilometer vanaf Waterloo stonden zo'n 17000 man klaar om in geval van een nederlaag van de Hertog van Wellington de aftocht te dekken en de weg naar Brussel vrij te houden. 
Maar door de nederlaag van Napoleon hoefde dit leger, bestaande uit Nederlanders, Duitsers, Belgen, Russen en Zweden, nooit in actie te komen. Was dit andersom geweest dan had er ook in Halle een slagveld kunnen zijn.  
Prins Frederik
Om de tijd te doden werd er om het uur appel geblazen en om de spieren fit te houden waren er militaire defilés. Hoeve Yserbyt werd het onderkomen van Prins Frederik van Oranje, de zoon van Koning Willem. Vanuit de molen van het dorp, 500 meter verderop, had Prins Frederik goed uitzicht op de strijd bij Waterloo. 
Plakaat Hoeve Yserbyt in Hondzocht-Halle
Molen in Hondzocht
De andere grote hoeves werden door ingekwartierde officieren ingenomen. 
Het moet een indrukwekkend gezicht zijn geweest in het dorp, 17.000 militairen die af aan het wachten waren of ze zich in de strijd zouden moeten mengen of niet.




18 juni 1815 verloor Napoleon de strijd bij Waterloo en al op 19 juni kreeg Prins Frederik van hertog van Wellington de order om met zijn manschappen naar het noorden van Frankrijk te marcheren om een aantal Noord Franse vestingsteden te observeren en de garnizoenen te beletten uit te Breken. 
Zo kon het geallieerde leger van Wellington verder optrekken richting Parijs voor de overgave van Napoleon en de Franse regering. Zo hoefden zich geen zorgen te maken over de communicatielijnen en bevoorradingslijnen achter zich. 
Ze sloten als eerst de stad Le Quesnoy in. Ze bombardeerden met artilleriegeschut om uiteindelijk de stad in te nemen en te bezetten. Vervolgens werd Valenciennes belegerd en het noordelijker gelegen Condé. Van 30 juni tot 12 augustus lagen de Nederlandse troepen voor Valenciennes waarbij ze de stad hevig bombardeerden. Ze capituleerden pas op 19 juli toen Napoleon afstand deed van de regering. De troepen doorstonden grote ontberingen. 
Op 20 november werd de vrede van Parijs getekend en verlieten de Nederlandse troepen na 29 november Noord Frankrijk en om weer richting hun garnizoenen te vertrekken. 


Op 1 juli 1816 ging Johannes met groot verlof en kon hij eindelijk eens een keer naar huis, 9 Maanden later werd het 2e kind van Johannes en Hiltje geboren. Op 28 april 1819 zat zijn 5 jaar diensttijd er op en had hij aan zijn dienstplicht voldaan. 
Anderhalf jaar later werd hun 3e kind, geboren. Waarschijnlijk is al die tijd niet thuis geweest en zullen zijn kinderen en zijn vrouw hem niet hebben gezien. 
Het vierde kind van Johannes en Hiltje, Hendrikje Vitjeroo, mijn oud moeder trouwt later met Johannes Huibert van Adrichem, mijn oud vader en de zoon van Johannes van Adrichem, ook een Waterloo veteraan. Ik had wel graag willen weten of heldhaftige verhalen nog lang in de familie zijn doorverteld, ik had ze wel willen horen, hoe afschuwelijk ook....