woensdag 25 mei 2016

Oorlogsslachtoffers in de familie

Onlangs kocht ik het boek “Nazareth” van Jos Wessels, met als ondertitel “Bredevoort en zijn Katholieken”.
Het boek kocht ik online, omdat ik van iemand te horen had gekregen, dat er familie in zou staan.
Op pagina 257 van het boek staat een foto van mijn voorouders Johannes Bernardus (Jan) de Vries, zijn vrouw Johanna Elschot en hun 8 kinderen.  Ook anderen namen van familieleden, die via de familie de Vries verwant zijn, komen er in voor. 


Mijn betovergrootvader Jan (die met die lange pijp) had een bakkerij aan de Landstraat te Bredevoort.  Het pand op de foto bestaat nog, maar heeft alleen een nieuwe voorgevel gekregen. De achterkant van het pand dat je via de Officiersstraat kunt bekijken is nog in oude vakwerk stijl.
Mijn overgrootvader Herman Jozef de Vries (de langste op de foto) is naar Enschede vertrokken, maar bijna alle broers en zussen zijn in Bredevoort blijven wonen, en vele verre familieleden wonen er nog.

Fam. de Vries, landstraat 20 Bredevoort

In het boek stond een stukje over de kinderen van de familie de Vries die in Bredevoort zijn blijven wonen. Bij een van de zonen, Bernard de Vries, zag ik staan dat zoon Bernard jr. gestorven was in een concentratiekamp in april 1945 en dat zoon Henk verongelukte in april 1945 door op een landmijn te stappen. Dat was nieuw voor me en daar wou ik wel eens wat meer over weten.

Ik was al een tijdje niet meer bezig geweest met de stamboom, maar tijden het opruimen van een kast kwam ik het boek weer tegen en besloot ik uit te gaan zoeken wat er gebeurd was met de beide zonen van de oom van mijn oma.
Zoon Henk, blijkt de 13e jarige Hendrikus Wilhelmus de Vries te zijn.

fagment "Nazreth, bredevoort en zijn katholieken."

Door te googelen kwam ik op de site: monument.vriendenkringneuengamme, waar ik de gegevens van Bernard de Vries tegen kwam. 
Bernardus Marinus de Vries werd op 2 April 1925 geboren in Aalten als 2e van in totaal 10 kinderen. Bernard was, op 2 dagen na, 1 jaar jonger dan zijn nicht, mijn oma Annie.

In 1944 werd Bernard in Winterswijk gearresteerd omdat hij zich had ontrokken aan de arbeidsinzet.  Tijdens de Duitse bezetting werd een zeer groot aantal mannen gedwongen tewerkgesteld in Nederland en Duitsland. De rekrutering van deze mannen vond vooral plaats door middel van doelgerichte acties, die naarmate de oorlog langer duurde in hevigheid toenamen. De maatregel om verplicht te werken in Duitsland levert maar 54.000 arbeidskrachten op, in plaats van de verwachte 170.000. De bezetters gingen over tot de 'totale arbeidsinzet'. Dat betekende dat de leeftijd werd verruimd: mannen van 17 tot 40 jaar konden niet meer veilig op straat lopen.Ze konden bij een razzia worden opgepakt om in Duitsland te werken. Waarschijnlijk is dat bij Bernard ook gebeurd. Hij werd in elk geval, gevangen gezet in de Koepelgevangenis in Arnhem. Daarna is hij op 19 december 1944 naar Kamp Amersfoort gebracht. 

Kamp Amersfoort was een berucht kamp. Kampbeulen waren wreed, ze maakten er de dienst uit en niets beperkte hun in hun wreedheid. De gevangenen moesten zwaar werk doen en er was te weinig voedsel. Amersfoort was dan ook een zogenaamd “Hongerkamp”.
Op 2 februari 1945 werd hij op transport gezet naar concentratiekamp Neuengamme. De reis duurde 2 dagen en op 4 februari 1945 kwam hij aan. 
Bij aankomst moesten alle persoonlijke bezittingen worden afgegeven. Vervolgens werd al het lichaamshaar afgeschoren en kreeg men in plaats van de eigen naam een nummer op een zinken plaatje, dat om de nek gedragen moest worden. Zijn kampnummer was 70647.

In februari 1945 […] werd ik met een gevangenentransport van het concentratiekamp Neuengamme naar het onderkamp Reiherhorst-Wöbbelin bij Ludwigslust overgebracht. […] Ik kan me nog herinneren dat wij met een goederentrein van Neuengamme naar een voor ons onbekende bestemming werden gebracht. […] We moesten toen allemaal uitstappen en verder lopen. Na een lange mars […] kwamen we bij een kamp aan, we mochten niet door de ingang naar binnen, maar moesten in een kanaal springen en overzwemmen om binnen te komen, en dat midden in de winter. Op de eerste dag in het kamp sprak de kampcommandant ons toe, hij deelde ons toen mee dat hij in het kamp slechts twee soorten mensen wilde hebben, mensen die werkten of mensen die dood waren, een middenweg zou er niet zijn. Voor zover ik weet, was dit een nieuw kamp, wij waren de eerste gevangenen die daar kwamen. Er stonden barakken van hout.” 
(getuigenverklaring van een ex-gevangene) Bron

Op 12 februari werden er 700 gevangen gebracht naar het nieuw gebouwde buitenkamp van Neuengamme, Außerlage “Wöbbelin”.  De gevangen die naar Wöbbelin werden getransporteerd, hoefden niet meer te werken in de wapenindustrie maar werden aan de hun lot overgelaten. Er waren geen gaskamers of massa executies, maar toch was dit kamp een vernietigingskamp. 

De levensomstandigheden waren zo onmenselijk dat er in de 10 weken dat het kamp heeft bestaan er meer dan 1000 doden zijn gevallen. 
Vanaf 20 April werd er een begin gemaakt met de ontruiming van het hoofdkamp Neuengamme. Een deel van de gevangenen werden op Dodenmars gezet naar andere kampen, zoals Wöbbelin. Meer dan 5000 gevangenen werden in dit kamp ondergebracht.

“ Als men weer in een ander kamp komt, gelooft men graag dat het niet erger kan worden. Maar Wöbbelin heeft wat dit betreft alles geslagen. Het kamp was niet afgebouwd, in de barakken geen deuren, in de ramen geen glas, en er was slechts zand op de grond. Er waren geen bedden, slechts een soort kooien. Sanitair was er ook niet, slechts een handpomp. In de grond waren enkele gaten gegraven om de behoefte te doen. De meeste gevangenen hadden diarree, het kamp was daardoor vervuild, er waren veel luizen, erg weinig te eten en lange appèls. Het is geen wonder dat er zo veel gestorven zijn. Het is evenwel een wonder dat er nog mensen zijn die deze hel hebben overleefd.” (memoires van de Nederlandse ex-gevangene Willem Hadders)

Kamp Wöbbelin

Volgens kamp overlevende Franz Unikower, die al in meerdere kampen had gezeten, overtrof Kamp Wöbbelin alles wat hij tot nu toe had meegemaakt.
Het wemelde er van de insecten, De barakken waren tochtig en het dak was lek. De nachten waren koud en wie nog een deken had en niet meer de kracht om ‘m te verdedigen, werd de deken gewoon afgestolen. De gevangen waren tot op het bot bevroren en het gebeurde wel eens dat als je ’s ochtends wakker werd, degene naast je naakt aantrof op de harde koude grond, zijn kleren hadden ze ‘m afgestolen. Het was het recht van de sterkste.
In het hele kamp bevond zich één handpomp, maar het water wat daar uitkwam was smerig en stonk. Het bleek aangesloten te zijn op een bron die in verbinding stond met een massagraf...

gevangene kamp Wöbbelin, 2 mei 1945

Een dagrantsoen bestond uit 1 kilo brood voor 10 mensen en een halve liter soep (gemaakt met het water uit die ene handpomp!). De soep werd geserveerd in je hoofddeksel want eetgerei was er niet. De soep moest je dus snel opdrinken, anders liep het door de stof heen. De honger was zo erg dat een Russische gevangen die een rat had weten te vangen, hem levend met huid en haar op at. Ook zijn er in kamp Wöbbelin gevallen bekend van kannibalisme.

“De aanblik van naakte lijken die eruit zagen als skeletten werd een verleiding voor verscheidene uitgehongerden. Zij sneden in de lichamen om te proberen hun ergste honger te stillen. Van deze doden bleef slechts de huid, de botten en het zitvlak over dat met poep besmeurd was. […] Een Franse kameraad vertelde ons dat hij op een dag, aangetrokken door een eigenaardige geur, een groep naderde die iets kookte dat helemaal niet slecht rook, zoals hij zei. Hij bedelde en kreeg een stuk. Omdat het zeer taai was, keek hij er eens goed naar en herkende een stuk menselijk oor.”

Het grootste deel van de gevangen had diarree en daardoor niet meer de kracht om op te staan, zodat men niet anders kon, dan de boel gewoon maar te laten lopen. Degene die nog wel een bed hadden, hadden dan wel eens de pech dat door gebrek aan strozak, deken o.i.d. de inhoud van de darmen van de boven buurman recht in hun gezicht kwamen.
In de barak die als wasplek was gebouwd, werden de lijken, 4 a 5 man hoog, opgestapeld. Ziekten, zoals de tyfus, konden zo nog makkelijker uitbreiden.
In de laatste dagen van april stierven dagelijks meer dan 100 gevangen. Zo ook Bernard de Vries. Hij overleed op 24 april 1945 in Wöbbelin, net 20 jaar oud. Amper 3 weken nadat zijn broertje Henk op een landmijn was gestapt, maar dat heeft hij uiteraard niet geweten. 

Inwoners van Wöbbelin moeten verplicht de verschrikkingen van het kamp bekijken

Op 2 mei bereikten de Amerikanen per toeval kamp Wöbbelin. Op de kaarten stond het kamp niet aangegeven, maar in een nabij gelegen plaats zagen de Amerikanen drie zogenaamde "Musselmannen" staan in een kapotte etalage, die kleren van de paspoppen aan het aantrekken waren. Na navraag kwamen ze er achter dat de mannen uit het door de Nazi's verlaten kamp Wöbbelin kwamen. 
De Amerikanen roken het kamp echter nog eerder dan ze het konden zien....
"Zelfs na drie oorlogsjaren kreeg ik tranen in mijn ogen. Levende skeletten lagen overal. De doden onderscheidden zich van de levenden door hun blauw-zwarte huidskleur. Bij de levenden spande zich de groenachtige huid over de botten. Honderden doden lagen op de grond en in de met teerdoek bedekte barakken.” (gen. James M. Gavin in “On to Berlin, Battles of an Airborne Commander 1943-1946”)

De Amerikanen probeerden zo snel als ze konden medische hulp en levensmiddelen te regelen, maar nog zo'n 200 gevangen stierven in de dagen na de bevrijding van het kamp.

De inwoners van Wöbbelin werden door de Amerikanen verplicht tot het bekijken van het kamp en de slachtoffers. Ze moesten de lijken, die rijen dik lagen gestapeld in de barakken, begraven. De massagraven moesten worden geopend, de lijken, die al in staat van ontbinding waren, wassen en de inwoners moesten allemaal hun witte lakens inleveren om de doden in te wikkelen om ze te herbegraven omdat er gewoon niet genoeg kisten waren. Ook het lichaam van Bernard de Vries, die net voor de bevrijding van het kamp was week overleden was, zal hier bij hebben gezeten. 
Bij de herbegrafenissen moesten de inwoners aanwezig zijn en in defilé langs de kisten lopen. Een Amerikaanse filmploeg heeft opnames gemaakt van de begrafenissen. 
Het is een vreemd idee dat een van die slachtoffers die hier liggen, Bernard zou kunnen zijn. De beelden zijn op zich verschrikkelijk om te zien, maar met de wetenschap dat een neef van mijn oma er bij kan liggen kijk je er toch weer heel anders naar, dan komt de oorlog toch wel dichtbij....



De slachtoffers zijn in de eerste week na de bevrijding van het kamp begraven in o.a. Wöbbelin, Hagenauw, Ludwigslust en Schwerin. 

Op de plekken waar de slachtoffers van kamp Wöbbelin zijn begraven zijn nu enkele monumenten te vinden met de namen van de slachtoffers, maar het is mij niet bekend of de naam van Bernard er ook bij staat. Mocht ik er ooit eens in de buurt komen, dan ga ik een kijkje nemen.